Bestemmingsplannen

Iedere gemeente moet voor heel haar grondgebied één of meer bestemmingsplannen hebben. In een bestemmingsplan staat wat de bestemming van een bepaald stuk grond is, bijvoorbeeld woningbouw, industrie, recreatie, kantoren en horeca. Dit plan geldt voor iedereen: burgers, bedrijven en de gemeente zelf.

Een bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen:

  • een verbeelding;
  • de planregels;
  • een toelichting.

Op de ‘verbeelding’ zijn de verschillende ‘bestemmingen’ aangegeven. Bij de verbeelding horen ook planregels. In deze planregels is bepaald wat er in bestemming mag worden gebouwd en hoe gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast hoort een toelichting bij het bestemmingsplan. Hierin staat onder meer op welke gedachten het plan gebaseerd is en de uitkomsten van de onderzoeken die daarvoor zijn verricht.

Functies van het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan heeft een aantal functies te weten:

  • de bestemmingsfunctie;
  • de gebruiksfunctie;
  • de handhaaffunctie.

Bestemmingsfunctie

Op de verbeelding van het plan is de ‘bestemming’ van de grond aangegeven. Dit kan onder andere wonen, bedrijven of recreatie zijn. Een voorbeeld: in een gebied met de bestemming ‘wonen’ mag zich geen bedrijf vestigen. Andersom mag op grond met de bestemming ‘bedrijven’ geen woning worden gebouwd.

Gebruiksfunctie

In de planregels is vastgelegd waarvoor de grond en de daarop aanwezige of de nog te bouwen bebouwing mag worden gebruikt. Bijvoorbeeld: een kavel krijgt de bestemming ‘eengezinswoning’. Ook staat in de planregels van het bestemmingsplan hoe u de grond van een gegeven bestemming mag gebruiken en wat u erop mag bouwen. Bijvoorbeeld: een garage bij een eengezinswoning mag niet als kantoorruimte worden gebruikt en ook niet bij de woning worden gevoegd om er in te gaan wonen.

Handhaaffunctie

Als grond of gebouwen op een andere manier worden gebruikt dan in het bestemmingsplan staat, moet de gemeente ‘handhaven’. De gemeente kan dan twee maatregelen nemen om dit ongedaan te maken: bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. 
Bestuursdwang betekent dat de gemeente de strijdige situatie in haar oorspronkelijke staat terugbrengt. De kosten die de gemeente hiervoor heeft moeten maken, worden bij de overtreder in rekening gebracht. Met een dwangsom (is een boetebedrag ineens of per tijdsperiode dat de overtreding niet beëindigd is) wordt de overtreder gedwongen om zelf een eind aan de strijdige situatie te maken.